Vakantie

Ik ga nooit op vakantie.
Ik snap het principe niet zo goed.
Met heel veel spullen in een te kleine, lelijke tas, jezelf kilometers verplaatsen in een te warme auto of een erg krap vliegtuigstoeltje met vies eten. Vervolgens die spullen in een hotelkamer, die er altijd hetzelfde uit ziet, trachten georganiseerd en netjes op te bergen of erger nog, in een tent, waarin het altijd of te koud, of te warm is. Slapen op een dun matje, een luchtbed, waarvan ik nog steeds vind dat die in het zwembad thuis hoort of op een matras waar meer mensen “de liefde” op hebben bedreven dan je lief is. Een douche die na twee minuten koud wordt of zelfs stopt, een WC-rol en het openbaar vervoer, waar ik het een andere keer graag nog even uitgebreid over zou willen hebben.
Nee, ik ga nooit op vakantie.

Nou zal het een kwestie van gewenning zijn. Het gras altijd groener en dat een man pas weet wat hij mist als dat dus al weg is, wat ik een onbegrijpelijk onhandige eigenschap blijf vinden. En misschien is een toer officieel gezien geen echte vakantie. Maar toch zeker een alternatieve vorm van. Maar dames en heren, lieve mensen, ik wil niet meer terug.
Door met vijf mannen in een warme, krappe, zwarte bus 15 uur te rijden, een week op een te kleine slaapbank te vertoeven, praktisch in een ruimte met drie mannen waarvan er in ieder geval 1 heel hard snurkt, meer geld aan taxi chauffeurs te overhandigen dan ik gemiddeld per maand verdien, meermaals in winkels met zoveel mogelijk ledematen duidelijk proberen te maken waar ik naar op zoek was, zonder Internet, zonder kledingkast, zonder televisie,
wil ik niet meer terug.

Misschien had ik het nodig, misschien had ik het onderschat, misschien moet ik een keer een normale baan voordat ik dit echt begrijp. Maar volgend jaar ben ik er weer bij, met mijn knuffel en plastic tassen vol met kleren. Jullie zoeken het maar uit, daar. Joe.

Frank