Die dag was ik na een lange wandeling met mijn broertje op een prachtig strand in Sicilië terecht gekomen. Zo’n strand met grote witte rotsblokken die door de heldere blauwe zee heen snijden als fjorden van het zuiden. Ik was 12.
Een prachtig meisje lag in de zon weg te dromen bij het geluid van water tegen een rotswand. Verderop was een jongetje in discussie met zijn moeder omdat hij na de lunch niet direct de zee in mocht; Voor de gemiddelde Italiaanse moeder betekent één olijfje eten 2 uur plat. Boven op een van de hoogste rotsen stonden de stoerste jongens van het strand en doken van zo’n 13 meter hoog, head-first, de zee in.

Ik ben altijd al heel gevoelig geweest voor de uitspraak “dat durf je niet hé?”.
Zelfs als niemand dat expliciet tegen me zegt.
Dus ik deelde me in bij het groepje “stoere jongens op de rots”, terwijl mijn broertje zich wijselijk voegde bij het groepje “wegdromend meisje”.
Ik beklom de rots, die inmiddels wel 20 meter hoog is geworden, ik ging op de rand staan en keek naar beneden. “Is het wel diep genoeg?” “Als ik ga, ga ik met mijn benen eerst en dan goed bij elkaar houden. Hou ze alsjeblieft goed bij elkaar!”

Op het moment dat ik besloot niet te springen keek het meisje op en het jongetje en zijn moeder staakten hun discussie. Achter mij stonden inmiddels twee jongens van ongeveer 9 jaar oud ongeduldig op me te wachten. Ik maakte oogcontact met mijn broertje, hij schudde enkel zijn hoofd. De wind duwde me zachtjes in de richting van de afgrond. Als een plagend duwtje in de rug. Alsof die zei “dat durf je niet hé?”.

Vandaag was ik bij een meisje. Ik was al best vaak bij haar geweest en het was fijn. Er was zelfs al gesproken over een relatie, maar ik durfde niet.
De sprong leek ineens veel groter dan toen ik voor haar deur stond. Hoewel er absoluut geen sprake was van groepsdruk of blijvend letsel als ik mijn benen niet bij elkaar zou houden was. Toch was ik totaal in paniek.
Dus ik besloot naar huis te gaan. En toen keek ze me aan. Lang. Lief. Vertrouwd.
De zee was warm en deed totaal geen pijn.

Tommaso